Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Wet goederenvervoer over de weg

 

Wet van 12 maart 1992, houdende regeling van het beroepsgoederenvervoer en het eigen vervoer met vrachtauto's
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de kwaliteit in het goederenvervoer met vrachtauto?s wenselijk is een nieuwe regeling te geven voor het beroepsvervoer en het eigen vervoer, die mede kan dienen ter uitvoering van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1
1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b
NIWO: Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, bedoeld in artikel 55;
c
SIEV: Stichting Inschrijving Eigen Vervoer opgericht op 13 februari 1954 te 's-Gravenhage;
d
motorrijtuig: voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994;
e
vrachtauto: een voor het vervoer van goederen ingericht motorrijtuig of geleed motorrijtuig alsmede een voor het vervoer van goederen ingerichte, met een motorrijtuig of geleed motorrijtuig samengevoegde, aanhangwagen;
f
geleed motorrijtuig: samenstel van trekker en oplegger;
g
eigen vervoer: vervoer met vrachtauto?s van goederen, uitsluitend bestemd voor of afkomstig van eigen onderneming of bedrijf;
h
beroepsvervoer: vervoer van goederen met vrachtauto?s tegen vergoeding, niet zijnde eigen vervoer;
i
grensoverschrijdend vervoer: eigen vervoer of beroepsvervoer waarbij tussen de plaats waar goederen worden geladen en de plaats waar goederen worden gelost tenminste één grens tussen twee landen wordt overschreden, met dien verstande dat grensoverschrijdend vervoer tussen twee in Nederland gelegen plaatsen gelijk gesteld wordt met binnenlands vervoer;
j
ondernemer: de natuurlijke persoon, vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap of rechtspersoon voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer of het eigen vervoer wordt verricht;
k
communautaire vergunning: communautaire vergunning als bedoeld in verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten (PbEG L 095);
l
verwerken van persoonsgegevens, onderscheidenlijk verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens.
2
Onder beroepsvervoer en eigen vervoer wordt mede verstaan het door de ondernemer in een vrachtauto laden of daaruit lossen van goederen.
3
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het in lege toestand verplaatsen van een vrachtauto wordt gelijkgesteld met beroepsvervoer.

Artikel 2
1
Deze wet is van toepassing op beroepsvervoer en eigen vervoer over voor het openbaar verkeer openstaande wegen.
2
Deze wet is mede van toepassing op beroepsvervoer en eigen vervoer, dat geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door een in Nederland gevestigde ondernemer.

Artikel 3
Deze wet is niet van toepassing op beroepsvervoer en eigen vervoer verricht met een vrachtauto waarvan het toegestane laadvermogen niet meer bedraagt dan 500 kg.

Artikel 4
1
De hoofden of bestuurders van een onderneming zijn verplicht te zorgen, dat in de onderneming niet wordt gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 5, eerste en derde lid, 14, eerste lid 15, eerste lid, en 21, en met de voorschriften, krachtens deze wet gegeven, voor zover overtreding daarvan een strafbaar feit is.
2
Gelijke verplichting rust op het toezichthoudend personeel, voor zover het door het hoofd of de bestuurder schriftelijk met de zorg voor de naleving van die bepalingen is belast.
3
Aan de verplichting van het hoofd of de bestuurder en van het toezichthoudend personeel is voldaan, wanneer zij aantonen, dat door hen de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden om de naleving te verzekeren van de bepalingen, voor welke naleving zij verplicht waren te zorgen.

Hoofdstuk II. Beroepsvervoer

Artikel 5
1
Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.
2
In afwijking van het verbod in het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven omtrent de voorwaarden waaronder niet in Nederland gevestigde ondernemers beroepsvervoer op Nederlands grondgebied kunnen verrichten.
3
Het is verboden grensoverschrijdend beroepsvervoer te verrichten zonder een communautaire vergunning.
4
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vormen van beroepsvervoer worden aangewezen, waarop de in het eerste en derde lid bedoelde verboden niet van toepassing zijn.

Artikel 6
Indien niet binnen acht weken na het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer en een aanvraag om een communautaire vergunning is beslist, is de aanvraag toegewezen.

Artikel 7
1
Een aanvraag om een vergunning voor binnenlandse beroepsvervoer en een aanvraag om een communautaire vergunning worden afgewezen indien de aanvrager of, indien de aanvraag door de vennoten van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maten van een maatschap dan wel een rechtspersoon wordt ingediend, één der vennoten, maten of bestuurders van die rechtspersoon:
a
houder is geweest van een zodanige vergunning, welke in de periode van twee jaren voorafgaande aan de aanvraag is ingetrokken op grond van het feit dat niet meer wordt voldaan aan de eis van betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a , of op grond van artikel 12, eerste lid, onderdeel d , dan wel op grond van deze artikelen intrekking wordt overwogen;
b
ingeschreven is geweest als eigen vervoerder en zijn inschrijving in de periode van twee jaren voorafgaande aan de aanvraag is doorgehaald op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel c , dan wel een doorhaling op de gronden van artikel 23, eerste lid, onderdeel c , wordt overwogen.
2
Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid, kan worden afgewezen in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3
Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
4
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is eveneens van toepassing indien de aanvrager bestuurder van een rechtspersoon, vennoot van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, dan wel maat van een maatschap is of is geweest en tevens permanent en daadwerkelijk leiding geeft of heeft gegeven aan het vervoer en op de vergunning dan wel de inschrijving van die rechtspersoon, vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid dan wel maatschap de procedure tot intrekking dan wel doorhaling als bedoeld in het eerste en tweede lid, is of wordt toegepast.

Artikel 8
1
Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend indien wordt voldaan aan de eisen van:
a
betrouwbaarheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ieder van hen;
b
kredietwaardigheid, door de ondernemer of indien meer natuurlijke personen gezamenlijk als ondernemer optreden, door hen gezamenlijk; en
c
vakbekwaamheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ten minste een van hen.
2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde eisen.

Artikel 9
1
Een communautaire vergunning wordt slechts verleend en is na verlening slechts geldig, indien de aanvrager van die vergunning in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer als bedoeld in artikel 5, eerste lid.
2
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt een communautaire vergunning slechts verleend, indien binnen de onderneming wordt voldaan aan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aanvullende eis van vakbekwaamheid voor grensoverschrijdend beroepsvervoer.

Artikel 10
1
Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt, behoudens het bepaalde in artikel 13, derde lid, verleend voor onbepaalde tijd.
2
Met betrekking tot de in het eerste lid genoemde vergunning worden op aanvraag van de vergunninghouder vergunningbewijzen afgegeven. Deze zijn eveneens geldig voor onbepaalde tijd.
3
Behoudens het bepaalde in artikel 13, derde lid, wordt een communautaire vergunning verleend voor vijf jaar en kan op aanvraag telkens voor dezelfde periode worden verlengd.
4
Met betrekking tot de in het derde lid genoemde vergunning worden aan de vergunninghouder het aantal gewaarmerkte kopieën afgegeven dat overeenkomt met het aantal vrachtauto?s waarover hij de beschikking heeft.

Artikel 11
1
Behoudens het bepaalde in artikel 13, derde lid, vervalt een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer van rechtswege met ingang van het tijdstip van:
a
overlijden dan wel intreden van wettelijke onbekwaamheid van de vergunninghouder;
b
ontbinding van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of beëindiging van de maatschap, waaraan de vergunning is verleend; of
c
ontbinding van de rechtspersoon, waaraan de vergunning is verleend.
2
Behoudens het bepaalde in de artikelen 10, derde lid, en 13, derde lid, vervalt een communautaire vergunning van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de vergunning, bedoeld in het eerste lid, vervalt.

Artikel 12
1
Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt ingetrokken:
a
op verzoek van de vergunninghouder;
b
indien een vergunning verleend is op grond van onjuiste gegevens;
c
indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 8, eerste lid; of
d
indien herhaaldelijk in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 14, eerste lid.
2
Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer kan worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven in welke gevallen niet langer wordt voldaan aan de eis, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a , alsmede in welke gevallen sprake is van herhaaldelijk in strijd handelen met het bepaalde in artikel 14, eerste lid.
4
Ter uitvoering van het eerste lid, onderdelen c en d, worden strafrechtelijke persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de personen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, niet langer voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid, onderscheidenlijk teneinde te kunnen beoordelen of de vergunninghouder herhaaldelijk in strijd met artikel 14, eerste lid, heeft gehandeld. De NIWO is verantwoordelijke voor deze verwerking.
a
indien de vergunninghouder niet meer in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer; of
b
indien binnen de onderneming niet meer wordt voldaan aan de aanvullende eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid.
3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven in welke gevallen niet langer wordt voldaan aan de eis, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a , alsmede in welke gevallen sprake is van herhaaldelijk in strijd handelen met het bepaalde in artikel 14, eerste lid.
4
Ter uitvoering van het eerste lid, onderdelen c en d, worden strafrechtelijke persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de personen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, niet langer voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid, onderscheidenlijk teneinde te kunnen beoordelen of de vergunninghouder herhaaldelijk in strijd met artikel 14, eerste lid, heeft gehandeld. De NIWO is verantwoordelijke voor deze verwerking.

Artikel 13
1
Indien als gevolg van overlijden of lichamelijke of wettelijke onbekwaamheid niet meer wordt voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, kan in individuele gevallen op een daartoe strekkende aanvraag ten behoeve van een tijdelijke voortzetting van een onderneming een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer dan wel een communautaire vergunning worden verleend.
2
Met betrekking tot een vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden vergunningbewijzen onderscheidenlijk gewaarmerkte kopieën afgegeven.
3
Een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor de periode van een jaar, welke periode in naar behoren gemotiveerde speciale gevallen met maximale zes maanden kan worden verlengd.
4
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vergunningen. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de omstandigheden, waaronder deze vergunningen kunnen worden vervangen door een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste, onderscheidenlijk derde lid.

Artikel 14
1
Het is een vergunninghouder, verboden vervoer te verrichten met gebruikmaking van bestuurders van vrachtauto?s die niet bij hem in dienstbetrekking zijn.
2
Ten blijke van de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking wordt door de vergunninghouder en de bestuurder van een vrachtauto gezamenlijk een verklaring opgesteld waarin in ieder geval wordt vermeld dat:
a
het vervoer voor rekening en risico van de vergunninghouder wordt verricht; en
b
tussen de vergunninghouder en de bestuurder van een vrachtauto sprake is van een loons- en gezagsverhouding.
3
Onze Minister stelt het model vast van de in het tweede lid bedoelde verklaring.
4
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de gevallen waarin Onze Minister ontheffing kan verlenen van het in het eerste lid vermelde verbod, alsmede over de in die gevallen benodigde documenten.
5
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk III. Eigen vervoer

Artikel 15
1
Het is verboden eigen vervoer te verrichten zonder als eigen vervoerder te zijn ingeschreven.
2
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de houder van een vergunning voor beroepsvervoer.
3
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vormen van eigen vervoer worden aangewezen waarop het in het eerste lid bedoelde verbod niet van toepassing is.

Artikel 16
Bij de inschrijving van eigen vervoer worden vermeld de naam en de aard van de onderneming of het bedrijf.

Artikel 17
Indien niet binnen acht weken na het in behandeling nemen van een aanvraag om inschrijving, wijziging of verlenging is beslist, is de aanvraag toegewezen.

Artikel 18
1
Een aanvraag om inschrijving wordt afgewezen indien de aanvrager of, indien de aanvrager door de vennoten van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maten van een maatschap dan wel een rechtspersoon wordt ingediend, één der vennoten, maten of bestuurders van die rechtspersoon:
a
in het bezit is geweest van een zodanige inschrijving, welke in de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend, is doorgehaald op grond van het bepaalde in artikel 23, eerste lid, onderdeel c; of
b
in het bezit is van een inschrijving, waarvan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend, doorhaling op de gronden bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, wordt overwogen.
2
Het bepaalde in het eerste lid is eveneens van toepassing indien de aanvrager bestuurder van een rechtspersoon, vennoot van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid dan wel maat van een maatschap is of is geweest en tevens verantwoordelijkheid draagt of heeft gedragen voor het vervoer en op de inschrijving van die rechtspersoon, vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, dan wel maatschap de procedure bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, is of wordt toegepast.

Artikel 19
1
Tot inschrijving wordt eerst overgegaan indien door de aanvrager is aangetoond dat het vervoer waarvoor de inschrijving wordt verzocht, is aan te merken als eigen vervoer.
2
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de voorwaarden waaronder sprake is van eigen onderneming of bedrijf.

Artikel 20
1
Een inschrijving wordt verleend voor een periode van vijf jaar.
2
Na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn kan de geldigheidsduur van de inschrijving telkens op aanvraag van de ondernemer met een zelfde termijn verlengd worden.
3
Op aanvraag van de ingeschrevene worden inschrijvingsbewijzen afgegeven. Deze hebben eveneens een geldigheidsduur van vijf jaar.

Artikel 21
Het is verboden goederen die niet overeenstemmen met de aard van het bedrijf in eigen vervoer te vervoeren.

Artikel 22
Onverminderd het bepaalde in artikel 23 vervalt een inschrijving van rechtswege met ingang van het tijdstip van:
a
overlijden dan wel intreden van wettelijke onbekwaamheid van de ingeschrevene;
b
ontbinding van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of beëindiging van de maatschap, welke is ingeschreven; of
c
ontbinding van de rechtspersoon, welke is ingeschreven.

Artikel 23
1
Een inschrijving wordt doorgehaald:
a
op aanvraag van de ingeschrevene;
b
indien een inschrijving verleend is op grond van onjuiste gegevens; of
c
indien herhaaldelijk gehandeld is in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid of derde lid, dan wel artikel 21.
2
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c.

Hoofdstuk IV. Bepalingen inzake grensoverschrijdend vervoer door niet in Nederland gevestigde ondernemers

Artikel 24
Artikel 5, derde lid, en artikel 15, eerste lid, zijn niet van toepassing op grensoverschrijdend vervoer door de ondernemer, die niet in Nederland is gevestigd.

Artikel 25
1
Het is de niet in Nederland gevestigde ondernemer verboden grensoverschrijdend vervoer op Nederlands grondgebied te verrichten zonder in het bezit te zijn van een daartoe strekkende machtiging.
2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent:
a
de voorwaarden waaronder de machtiging kan worden verleend en ingetrokken;
b
de mogelijkheid tot verlenen van vrijstelling van deze machtiging;
c
de mogelijkheid de toegang tot Nederland te ontzeggen.

Hoofdstuk V. Diverse bepalingen inzake beroepsvervoer en eigen vervoer

Artikel 26
1
Het is de in Nederland gevestigde ondernemer verboden grensoverschrijdend vervoer te verrichten zonder in het bezit te zijn van bij algemene maatregel van bestuur nader te noemen aanvullende documenten.
2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent:
a
de afgifte, het gebruik en de intrekking van aanvullende documenten;
b
de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstelling van het gebruik van de in onderdeel a bedoelde aanvullende documenten;
c
het vervoer dat door een in Nederland gevestigde ondernemer geheel in een ander land, al dan niet onder gelding van een speciaal document, wordt verricht.

Artikel 27
1
Ter dekking van de kosten die verband houden met de werkzaamheden van de NIWO als bedoeld in artikel 32, onderdelen a tot en met f , dan wel de werkzaamheden van de SIEV als bedoeld in artikel 34, is de aanvrager een vergoeding verschuldigd voor:
a
behandeling van een aanvraag om verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 5;
b
behandeling van een aanvraag tot voortzetting van de exploitatie van een onderneming als bedoeld in artikel 13;
c
afgifte van een vergunningbewijs als bedoeld in artikel 10, tweede lid, alsmede een gewaarmerkte kopie als bedoeld in artikel 10, vierde lid;
d
behandeling en afgifte van een document als bedoeld in artikel 26, eerste lid, respectievelijk tweede lid, onderdeel c;
e
behandeling van een aanvraag om machtiging als bedoeld in artikel 25;
f
behandeling van een aanvraag om inschrijving voor eigen vervoer als bedoeld in artikel 15, eerste lid, of een wijziging of een verlenging daarvan; of
g
afgifte van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 20, derde lid.
2
De houder van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer alsmede de houder van een communautaire vergunning zijn ter dekking van de kosten die verband houden met de werkzaamheden als bedoeld in artikel 32, onderdeel g , jaarlijks vergoedingen verschuldigd.
3
Onze Minister stelt op voordracht van de NIWO de hoogte van de vergoedingen vast van de in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d en e voor wat betreft beroepsvervoer, bedoelde handelingen, en van de vergoedingen bedoeld in het tweede lid. Deze vergoedingen worden voldaan aan de NIWO.
4
Onze Minister stelt op voordracht van de SIEV de hoogte vast van de vergoedingen voor de in het eerste lid, onderdelen f en g, en d en e voor wat betreft eigen vervoer, bedoelde handelingen. Deze vergoedingen worden voldaan aan de SIEV.
5
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de wijze waarop de vergoedingen bedoeld in het eerste en het tweede lid worden vastgesteld.

Artikel 28
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de aanvraag, inhoud, afgifte, het gebruik en de inlevering van de volgende documenten:
1
de vergunning als bedoeld in de artikelen 5, eerste en derde, onderscheidenlijk 13, eerste lid;
2
het vergunningsbewijs, de gewaarmerkte kopie en het inschrijvingsbewijs, bedoeld in de artikelen 10, tweede lid, 10, vierde lid, onderscheidenlijk 20, derde lid;
3
de verklaring van dienstbetrekking, bedoeld in artikel 14, tweede lid;
4
het document, bedoeld in artikel 14, vierde lid;
5
de vrachtbrief, bedoeld in artikel 29;
6
de machtiging, bedoeld in artikel 25, eerste lid.

Artikel 29
1
Het is verboden vervoer krachtens een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer onderscheidenlijk een communautaire vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk derde lid, te verrichten indien met betrekking tot dat vervoer geen vrachtbrief is opgemaakt.
2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen vormen van beroepsvervoer worden aangewezen waarop het in het eerste lid bedoelde verbod niet van toepassing is.

Artikel 30
1
De vergunninghouder, en de ingeschrevene zijn verplicht aan Onze Minister gegevens betreffende het vervoer te verstrekken.
2
Onze Minister kan omtrent de te verstrekken gegevens en de wijze waarop zij worden verstrekt, nadere regels geven.

Artikel 31
Het is verboden beroepsvervoer of eigen vervoer te verrichten met een vrachtauto ten aanzien waarvan in strijd wordt gehandeld met de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bepalingen die zijn vastgesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994.

Hoofdstuk VI. Organen belast met vergunningverlening en inschrijving

Artikel 32
De NIWO is belast met de volgende taken:
a
verlening en intrekking van vergunningen voor binnenlands beroepsvervoer als bedoeld in artikel 8 onderscheidenlijk artikel 12, eerste lid;
b
verlening en intrekking van communautaire vergunningen als bedoeld in artikel 9 onderscheidenlijk artikel 12, tweede lid;
c
afgifte van vergunningbewijzen en gewaarmerkte kopieën als bedoeld in artikel 10, tweede, onderscheidenlijk vierde lid;
d
verlening en intrekking van machtigingen strekkende tot het verrichten van grensoverschrijdend vervoer als bedoeld in artikel 25, eerste lid;
e
afgifte van aanvullende documenten voor grensoverschrijdend beroepsvervoer als bedoeld in artikel 26, eerste lid, respectievelijk tweede lid, onderdeel c ; en
f
overige bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op te dragen werkzaamheden, zowel ten aanzien van het binnenlands beroepsvervoer als het grensoverschrijdend beroepsvervoer.

Artikel 33
1
Het bestuur van de NIWO is samengesteld uit leden die voor ten hoogste twee jaar worden benoemd door representatieve organisaties die de onderscheiden belangen ten aanzien van het beroepsvervoer vertegenwoordigen en die door Onze Minister zijn aangewezen.
2
De samenstelling van het bestuur dient zodanig te zijn, dat de in het eerste lid bedoelde organisaties in een door Onze Minister vast te stellen onderlinge verhouding zijn vertegenwoordigd met dien verstande dat het door eenzelfde organisatie te benoemen aantal leden nimmer meer bedraagt dan de helft van het totaal aantal leden.
3
De organisaties wijzen plaatsvervangers aan voor de door hen benoemde leden.
4
De vergaderingen van het bestuur kunnen worden bijgewoond door ambtenaren die door Onze Minister zijn aangewezen.

Artikel 34
De SIEV is belast met de volgende taken:
a
verrichting van inschrijvingen van eigen vervoer alsmede het wijzigen daarvan als bedoeld in artikel 17;
b
verlenging van de geldigheidsduur van inschrijvingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid;
c
afgifte van inschrijvingsbewijzen als bedoeld in artikel 20, derde lid;
d
doorhaling van inschrijvingen als bedoeld in artikel 23;
e
afgifte en intrekking van machtigingen voor grensoverschrijdend eigen vervoer als bedoeld in artikel 25, eerste lid;
f
afgifte en intrekking van aanvullende documenten voor grensoverschrijdend eigen vervoer als bedoeld in artikel 26, eerste lid;
g
deelname aan onderhandelingen in het kader van bilaterale verdragen met andere Staten, dan wel ter afsluiting van bilaterale verdragen.

Artikel 35
1
Het bestuur van de SIEV is samengesteld uit leden die voor ten hoogste twee jaar worden benoemd door representatieve organisaties die de onderscheiden belangen ten aanzien van eigen vervoer vertegenwoordigen en die door Onze Minister zijn aangewezen.
2
De organisaties wijzen plaatsvervangers aan voor de door hen benoemde leden.
3
De vergaderingen van het bestuur kunnen worden bijgewoond door ambtenaren die door Onze Minister zijn aangewezen.

Artikel 36
1
De NIWO onderscheidenlijk de SIEV brengt geen wijziging aan in haar statuten of neemt geen besluit tot opheffing dan na instemming door Onze Minister.
2
De NIWO onderscheidenlijk de SIEV regelt haar werkzaamheden in een reglement. Dit reglement alsmede wijzigingen daarin treden niet in werking dan na instemming door Onze Minister.
3
De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 37
1
De NIWO onderscheidenlijk de SIEV maakt jaarlijks een begroting van baten en lasten op, die de instemming van Onze Minister behoeft. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2
De NIWO onderscheidenlijk de SIEV legt jaarlijks rekening en verantwoording af van haar financieel beheer in een jaarrekening, dat vergezeld gaat van een rapport van een registeraccountant.

Artikel 38
De NIWO onderscheidenlijk de SIEV brengt jaarlijks aan Onze Minister een verslag uit over de uitvoering van haar taken en maakt dit gelijktijdig openbaar. Het jaarverslag van de NIWO bevat mede een passage over haar in artikel 32 omschreven taken.

Artikel 39
Van de beschikkingen van de NIWO en de SIEV wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 40
Voor zover de NIWO onderscheidenlijk de SIEV beleidsregels vaststelt verband houdende met haar in artikel 32, onderscheidenlijk artikel 34 omschreven taken, worden deze bekend gemaakt door publikatie in de Staatscourant.

Artikel 41
1
Indien naar het oordeel van Onze Minister de NIWO onderscheidenlijk de SIEV haar taken, omschreven in artikel 32, onderscheidenlijk artikel 34 niet langer naar behoren verricht, ontheft Onze Minister de NIWO, onderscheidenlijk de SIEV, van haar taken.
2
In een geval als bedoeld in het eerste lid draagt Onze Minister zorg voor de uitoefening van de aldaar bedoelde taken.

Hoofdstuk VII. Beroep

Artikel 42
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Hoofdstuk VIII. Toezicht en opsporing
1
Toezicht op de naleving

Artikel 43
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:
a
de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren;
b
de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; alsmede
c
de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met dien verstande dat hun bevoegdheid krachtens deze wet bij die aanwijzing kan worden beperkt tot een of meer onderdelen van deze wet.

Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1998]
2
Bevoegdheid in het kader van de opsporing

Artikel 49
1
De ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van deze wet, zijn bevoegd het vervoer van goederen dat wordt verricht in strijd met het bepaalde in de artikelen 5, eerste en derde lid, 15 eerste lid, en 25 en het bepaalde krachtens artikel 28, onder 1° en 2°, te beletten en de vrachtauto waarmee de overtreding is gepleegd gedurende ten hoogste 48 uren in bewaring te stellen, teneinde de verboden toestand te doen ophouden.
2
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de in bewaring gestelde vrachtauto op kosten van de houder naar een door hen aangewezen plaats over te brengen of te doen overbrengen. Zo nodig kunnen zij hierbij de hulp van de sterke arm inroepen.
3
De bestuurder van de vrachtauto is verplicht op eerste vordering van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn medewerking te verlenen ter zake van de uitvoering van het in de vorige leden bepaalde.
4
Van iedere inbewaringstelling maakt de betrokken ambtenaar proces-verbaal op. Hij zendt dit proces-verbaal binnen vierentwintig uur aan de officier van justitie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de inbewaringstelling is geschied. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder, alsmede de houder van de vrachtauto.
5
Tegen een inbewaringstelling kan elke belanghebbende gedurende vier weken een bezwaarschrift indienen op grond dat:
a
zij in strijd was met het bepaalde in het eerste lid, of omdat geen redelijk vermoeden van een strafbaar feit als daar bedoeld, aanwezig was;
b
het belang dat door het overtreden voorschrift werd beschermd in geen redelijke verhouding stond tot het belang dat door de inbewaringstelling werd geschaad; dan wel
c
de inbewaringstelling anderszins in strijd was met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.
6
Het bezwaarschrift wordt ingediend bij de rechtbank, bedoeld in het vierde lid. De behandeling vindt plaats door een economische kamer van die rechtbank. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk nadat de belanghebbende is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond acht, kan zij bepalen dat ten laste van het Rijk een vergoeding zal worden toegekend, onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.
7
Van de beschikking van de rechtbank kan het Openbaar Ministerie binnen twee weken en de belanghebbende binnen twee weken nadat zij hem betekend werd in beroep komen bij het Hof. Het zesde lid is op de behandeling van het beroepschrift van overeenkomstige toepassing.
8
Van de beschikking van het Hof kan het Openbaar Ministerie binnen twee weken en de belanghebbende binnen twee weken nadat zij hem betekend werd beroep in cassatie instellen. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 50
1
De in artikel 49, tweede lid, bedoelde kosten kunnen door de Minister worden ingevorderd bij dwangbevel, dat op kosten van de schuldenaar bij deurwaarders exploot wordt betekend en ten uitvoer gelegd op de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven.
2
Binnen vier weken na betekening staat verzet open tegen het dwangbevel door dagvaarding van de Staat. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging.

Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 51
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 52
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 53
De Nederlandse strafwet is mede van toepassing op de Nederlander en de in Nederland gevestigde ondernemer die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 54
De uitreiking van gerechtelijke mededelingen in zaken betreffende overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze wet, begaan door een niet in Nederland gevestigde ondernemer, kan eveneens geschieden aan de bestuurder van de betrokken vrachtauto die zich bereid verklaart om de mededeling onverwijld aan degene voor wie zij bestemd is te doen toekomen.

Artikel 55
Op de dag waarop dit artikel in werking treedt, verlijdt de Raad van Beheer van de Stichting Nederlandsche Internationale Wegvervoer Organisatie ten overstaan van een notaris een akte waarbij de statuten van die stichting ten minste als volgt worden gewijzigd:
a
de naam van de stichting wordt gewijzigd in: Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie;
b
de taak van de stichting wordt in overeenstemming gebracht met de haar bij deze wet opgedragen taken.

Artikel 56
Op de dag waarop dit artikel in werking treedt, verlijdt het presidium van de Raad van Bestuur van de Stichting Inschrijving Eigen Vervoer ten overstaan van een notaris een akte waarbij de statuten van die stichting in overeenstemming worden gebracht met de haar bij deze wet opgedragen taken.

Artikel 57
De Wet Autovervoer Goederen (Stb. 1987, 97) wordt ingetrokken.

Artikel 58
Vergunningen die zijn verleend ingevolge artikel 4 van de Wet Autovervoer Goederen dan wel ingevolge artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit autovervoer goederen 1988 (Stb. 1988, 209) en die gelden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als vergunningen voor binnenlands vervoer onderscheidenlijk communautaire vergunningen als bedoeld in artikel 5, eerste onderscheidenlijk derde lid.

Artikel 59
Voor zover in artikel 58 sprake is van tijdelijke vergunningen die gelden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, zijn deze, behoudens eerdere intrekking, geldig tot het tijdstip waarop zij hun geldigheid ingevolge de Wet Autovervoer Goederen zouden verliezen.

Artikel 60
1
Inschrijvingen voor eigen vervoer ingevolge artikel 4 van de Wet Autovervoer Goederen die gelden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als inschrijvingen als bedoeld in artikel 20.
2
Inschrijvingsbewijzen afgegeven ingevolge de Wet Autovervoer Goederen behouden hun geldigheid tot het tijdstip waarop zij hun geldigheid ingevolge het Uitvoeringsbesluit autovervoer goederen 1988 zouden verliezen.
3
Inschrijvingsbewijzen die de eerste maal worden afgegeven met betrekking tot inschrijvingen voor eigen vervoer als bedoeld in het eerste lid hebben een geldigheidsduur gelijk aan die van de inschrijving waarop zij berusten.

Artikel 61
Tijdelijke inschrijvingen voor grensoverschrijdend eigen vervoer ingevolge artikel 51 van het Uitvoeringsbesluit autovervoer goederen 1988, die gelden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als inschrijving als bedoeld in artikel 15, met dien verstande dat zij slechts geldig zijn tot het tijdstip waarop zij hun geldigheid ingevolge de Wet Autovervoer Goederen zouden verliezen.

Artikel 62
1
De behandeling van en de beslissing op aanvragen en verzoeken ter zake van vergunningen en inschrijvingen, alsmede verzoeken tot voortzetting van het bedrijf die zijn ingediend vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet geschiedt, voor zover daarop bij het in werking treden van deze wet nog niet is beslist, overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
2
Op verzoeken om ontheffing van de eis van vakbekwaamheid die zijn ingediend vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet is artikel 13 van deze wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 63
1
De behandeling van beroepen op beschikkingen ingevolge de Wet Autovervoer Goederen, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de Wet Autovervoer Goederen.
2
Indien een beroep als bedoeld in het eerste lid gegrond wordt verklaard en zulks tot gevolg heeft dat op de aldaar bedoelde aanvraag of het aldaar bedoelde verzoek opnieuw moet worden beslist, geschiedt dit overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

Artikel 64
Vakbekwaamheid, op welke wijze dan ook onder de werkingssfeer van de Wet Autovervoer Goederen verworven, alsmede ontheffingen welke ter zake zijn verleend, blijven na het in werking treden van deze wet met inbegrip van de in voorkomend geval aan deze vakbekwaamheid dan wel ontheffing verbonden beperkingen, behouden.

Artikel 65
Beschikkingen die vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet zijn genomen ingevolge artikel 56, zesde lid, van de Wet Autovervoer Goederen en die op dat tijdstip nog niet hebben geleid tot intrekking van de vergunning, behouden hun geldigheid ook na dat tijdstip, met dien verstande dat met het oog op de feitelijke intrekking alsnog een beschikking ingevolge artikel 12, eerste lid, onderdeel c , wordt genomen. Daarbij worden de termijnen die in de krachtens de Wet Autovervoer Goederen genomen beschikkingen zijn opgenomen, in acht genomen.

Artikel 66
Het bepaalde in artikel 65 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van doorhaling van een inschrijving als bedoeld in artikel 49, derde lid, van de Wet Autovervoer Goederen.

Artikel 67
1
Op adviezen van het College van Advies, genomen op grond van artikel 45a van de Wet Autovervoer Goederen waarop de Commissie Vergunningen Wegvervoer nog niet heeft beslist op het tijdstip van in werking treden van deze wet, beslist Onze Minister overeenkomstig het bepaalde in artikel 42a van de Wet Autovervoer Goederen.
2
Beschikkingen, genomen op grond van het eerste lid alsmede beschikkingen, die vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet zijn genomen op grond van artikel 42a van de Wet Autovervoer Goederen en op dat tijdstip nog niet in werking zijn getreden, worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de Wet Autovervoer Goederen; de artikelen 52, 53 en 54a van die wet zijn van toepassing.
3
Beschikkingen, die vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet zijn genomen op grond van artikel 49, derde lid, van de Wet Autovervoer Goederen en op dat tijdstip nog niet in werking zijn getreden, worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van die wet; de artikelen 52 en 54a van die wet zijn van toepassing.

Artikel 68
1
Ten aanzien van beschikkingen, bedoeld in artikel 67, eerste en tweede lid, welke inhouden een blijvende intrekking van de vergunning krachtens de Wet Autovervoer Goederen, is artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
2
Ten aanzien van beschikkingen, welke inhouden een blijvende intrekking van de vergunning krachtens de Wet Autovervoer Goederen en genomen op grond van artikel 42a van die wet binnen twee jaar vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet, is artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
3
Ten aanzien van beschikkingen, bedoeld in artikel 67, derde lid, welke inhouden een blijvende doorhaling van de inschrijving krachtens de Wet Autovervoer Goederen, zijn de artikelen 7 en 18 van overeenkomstige toepassing.
4
Ten aanzien van beschikkingen, welke inhouden een blijvende doorhaling van de inschrijving krachtens de Wet Autovervoer Goederen en genomen op grond van artikel 49, derde lid, van die wet binnen twee jaar vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet, zijn de artikelen 7 en 18 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 69
Beschikkingen die vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet zijn genomen ingevolge artikel 107, eerste of derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen 1988, worden aangemerkt als beschikkingen ingevolge artikel 13.

Artikel 70
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 71
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 72
Onze Minister voert over voorstellen van wet, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op het terrein van het vervoer met vrachtauto?s overleg met vertegenwoordigers van representatieve organisaties van beroepsvervoerders, werknemers, eigen vervoerders en verladers in het goederenvervoer over de weg.

Artikel 73 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 74
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 75
Tot aan het tijdstip, waarop het bij koninklijke boodschap van 28 juni 1989 ingediende voorstel van wet tot instelling van een Raad voor verkeer en waterstaat (kamerstuk II, 1989-1990, 21 199) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt het overleg, bedoeld in artikel 72, gevoerd met de Adviescommissie Goederenvervoer, bedoeld in artikel 6 van de Wet Autovervoer Goederen. In afwijking van artikel 57 blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6 en 7 van die wet tot dat tijdstip van toepassing.

Artikel 76
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet goederenvervoer over de weg.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 12 maart 1992
Beatrix
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
j
R. H. Maij-Weggen
Uitgegeven de negende april 1992
De Minister van Justitie,
e
M. H. Hirsch Ballin
Inhoudsopgave

Hoofdstuk I

Inleidende bepalingen

Hoofdstuk II

Beroepsvervoer

Hoofdstuk III

Eigen vervoer

Hoofdstuk IV

Bepalingen inzake grensoverschrijdend vervoer door niet in Nederland gevestigde ondernemers

Hoofdstuk V

Diverse bepalingen inzake beroepsvervoer en eigen vervoer

Hoofdstuk VI

Organen belast met vergunningverlening en inschrijving

Hoofdstuk VII

Beroep

Hoofdstuk VIII

Toezicht en opsporing
• 1
Toezicht op de naleving
• 2
Bevoegdheid in het kader van de opsporing

Hoofdstuk IX

Overgangs- en slotbepalingen